Queer boeken
   
Özcan Akyol Gekozen door:
Özcan Akyol
Terug naar alle fragmenten
Jongen-jongen Fictie Adriaan van Dis

Zilver


Warning: count(): Parameter must be an array or an object that implements Countable in /home/solid028/public_html/queerboeken.nl/_wpqb/wp-content/themes/qb/single-fragmenten.php on line 81
Atlas Contact
ISBN 9789025444914

Inleiding Özcan Akyol

Download als pdf

“Wat me zo trof aan dit boek van Adriaan van Dis, een publicatie uit 1988, vier jaar na mijn geboorte, was de verwarrende zoektocht van het hoofdkarakter. Als de dertienjarige Zilver het Boek met Duizend Platen in handen krijgt, begint hij de verschillen te zien tussen mannen en vrouwen, precies op het moment dat zijn eigen seksualiteit zich begint te ontwikkelen.

Hoewel er een dogma bestaat over liefdesrelaties – een man hoort bij een vrouw – voelt hij dat zijn geest en lichaam andere signalen geven, een boodschap die hij niet kan negeren. En daarom gaat hij op onderzoek uit, teneinde het antwoord te vinden op wat hij nu écht voelt. Daaruit bestaat zijn verwarring: iedereen kan wel zeggen dat iets ‘normaal’ is, op basis van tradities en religieuze bepalingen, maar wie bepaalt dat eigenlijk – de luidruchtige meerderheid met achterhaalde opvattingen?

Er is een scene in het boek, met een kostschool als decor, waarin ronduit aan Zilver wordt gevraagd op wie hij nou precies valt. Hij wordt boos om de latente suggestie in die vraag: ‘Hij draait zich om, wat denkt hij wel, die jongen met zijn meidenhaar. Die kille glimlach, nozembroek. Hij zou hem wel kunnen slaan. Hij is een man, verdomme. Alleen omdat hij nog niet zoent en in de pauze liever wafels eet dan vuilbekt in het fietsenhok, is hij zeker bang voor meisjes.’ De werkelijkheid is dat hij inderdaad bang is voor meisjes. En het ergste van allemaal: door het taboe op anders-zijn in zijn omgeving durft hij dat niet toe te geven. Wie onder groepsdruk bezwijkt en niet zichzelf kan zijn, gaat rare dingen doen. Dat blijkt uit dit fragment. Door het lezen van dit boek realiseerde ik me hoe moeilijk het is om toe te geven aan wat je werkelijk voelt, wanneer dat gevoel afwijkt van dat van de dominante massa.”

Fragment

Zilver vraagt de Juffrouw om een lange regenjas. Hij zal er zelf een kiezen. Van het geld koopt hij een kaartje naar het oosten. Hij gaat naar de straat van de ramen. In het bonken
op de rails hoort hij de mooiste namen.

De lila lamp ziet hij niet branden. Het is een lichte dag. Voor de deuren zitten vrouwen op een tuinstoel, hun rokken opgetrokken voor een straaltje zon. Zij kijken brutaal en sissen: ‘Schatje, schatje.’ Een zegt: ‘Ga weg, je bent te jong.’ Hij kijkt voor zich uit, soms een schuin oog naar de ramen. Geen hoer die verzen leest. Ze zijn allemaal opgemaakt, vlammen op hun wangen.
Maar aan het einde van de straat, voor het kleinste raam, wacht een wit gezicht. Veilig wit. Zij heeft zwarte haren, zwartsel om haar ogen. Haar mond is een kers. Zij draagt een zwarte pullover, zij lacht niet, lokt niet. Zij is een filmsterfoto.
Zijn adem stokt, hij loopt naar haar deur.
‘Kom binnen,’ zegt zij. Zilver veegt zijn voeten.
‘Dat ben ik niet gewend. Wil je met kleren aan of naakt?’
‘Ik heb maar vijfendertig gulden.’
‘Hou dan alleen je sokken aan.’ Een lapjeskat springt van haar schoot en kruipt onder het bed. Zij slaat de haren van haar zwarte rok en sluit het gordijn. De rook van een sigaret
-rode lippen op de filter – kringelt in de vensterbank. Zij neemt het geld, hij trekt zijn schoenen uit.
Zij gooit haar ceintuur in een hoek. Zilver hoort haar nylons vonken. Zij vraagt: ‘Wat doe je voor de kost?’
‘Ik zit op de toneelschool.
‘Dan spelen wij toneel.’
Zij trekt haar trui over haar hoofd. Geen bruine torens, alles wit, een rare haar die uit een tepel springt. Ze steken niet, ze hangen. Hij kijkt weg, naar de handdoek op de sprei… een
schoener met volle zeilen. Zij gaat op de golven liggen, haar broekje houdt zij aan. Hij legt zijn kleren op een stoel, er ligt een mannenhemd. ‘Kom je vaker bij de vrouwen?’ Zij trekt
haar knieën op, haar handen rusten op haar dijen.

‘Dit is de tweede keer.’ Hij staat met zijn rug naar haar toe, de kat blaast onder het bed. Hij kan nog weg, maar hij schuift naar de rand van het bed. Zij streelt zijn schouders, hij siddert onder haar vingertoppen. Kan hij deze handen vergeten, zacht, maar tergend als een takje stro? Is dit een kamer die altijd in herinnering blijft: grauw behang, een prullenbak vol witte proppen, de geur van ongewassen?
Zilver ligt op zijn zij, haar ogen zijn niet te harden. Zij trekt hem op haar buik, zijn benen tussen haar benen. Zij deint, het witte jeukt.
Zij fluistert: ‘Ik wou dat ze allemaal zo waren,’ en kust hem op zijn oor.

Zilver vliegt door de straat van de ramen, hij landt. Hij hoort bij de mannen.