Queer boeken
   
Tim den Besten Gekozen door:
Tim den Besten
Terug naar alle fragmenten
Jongen-jongen YA Edward van de Vendel

Ons derde lichaam


Warning: count(): Parameter must be an array or an object that implements Countable in /home/solid028/public_html/queerboeken.nl/_wpqb/wp-content/themes/qb/single-fragmenten.php on line 81
Querido
ISBN 9789045103167

Inleiding Tim den Besten

Download als pdf

“Als je nog nooit verliefd bent geweest dan kun je je eigenlijk niet voorstellen wat het is, wat het betekent. Totdat je plotsklaps heel diep in je buik voelt dat dit het is. En dat alle liefdesliedjes over hem of haar bleken te gaan. Dit is dus waar mensen het al miljoenen jaren over hebben, en boeken over schrijven en films over maken! Ik voelde dat allemaal voor het eerst voor een hele leuke jongen die ik online had ontmoet en voor het eerst in het echt zag op Lowlands. Het was meteen pats-boem. Hij was heel knap en lief en ik voelde het overal in mijn lichaam. Drie dagen lang waren we samen, in het gras met onze buiken in de zon, ’s avonds dansend en daarna als twee lepeltjes in mijn tent. Na Lowlands hebben we elkaar nog één keer gezien en daarna niet meer. Even plotseling als liefde uit de lucht kan komen vallen, zo kan het ook weer voorbij zijn. Het is ongrijpbaar en onzichtbaar, maar het is toch ook overal en het kan voorbij zijn zonder dat je het doorhebt.

Ons derde lichaam gaat over al die liefdesfases en al het mooie en het moeilijke. Het is het eerste en mooiste queerboek dat ik las. Dit boek kan je eigenlijk heel even verliefd laten voelen zonder dat je het bent. Het verhaal gaat over Tycho die op een zomerkamp in de vs de Noorse Olivier heeft ontmoet. Tycho denk heel veel aan Olivier en schrijft hem mails die hij nooit verstuurt. Ik vind de titel van het boek ook heel mooi: omdat ze bij elkaar horen vormen de lichamen van Tycho en Olivier samen hun derde lichaam.”

Fragment

Oliver,

het is nog steeds februari, maar al bijna maart. Ik schrijf je alweer, maar het is voor het laatst.

Was je niet meer dan een vlammetje? Een beginlucifer voor een veel groter vuur – een avonturenvuur? Na jou, na ons, is er zoveel gebeurd. Vonda heeft het lied ingezongen, en zelfs de componist en de producer stonden verstomd. Het demootje is op tijd ingeleverd, we werden klaargestoomd voor het nationale festival, begin februari. Het lied werd op internet gezet en de platenmaatschappij kreeg veel reacties, grappig.

We bespraken de act met Irene. Moritz wilde liever toch niet dansen, een huppeltje van drie minuten had niks met dit nummer én niks met de dansdisciplines van zijn opleiding te maken, en dus kwamen we met ons revolutionaire idee: we praten erdoorheen, we maken er een dagelijkse act van. Dat is doorgegaan, al hebben ze het bij de NOS een beetje afgezwakt. Tijdens het bruggetje roepen wij iets, en verder staan we stil met trommels voor onze buik. Daar slaan we op, een paar keer maar.

Je zult het allemaal wel zien, misschien, want, weet je, we hebben gewonnen. We hebben de voorrondes gewonnen hier, we werden nummer één, totaal onverwacht, geloof me. We staan in kranten, Oliver, in tijdschriften. Misschien denk je dat ik deze dingen verzin, maar dat is niet zo. Daarom moest ik je schrijven. Je zult me zien, op televisie dus, straks, in mei, in Riga, in Letland, daar is de finale. We gaan er een week heen, alles wordt betaald.

De Nederlandse finale was een paar weken geleden en we staan nog steeds op onze kop. Er is een soort net over ons heen gevallen, een net van aandacht. Leuk en spannend en krankzinnig, ja, en we kunnen het wel aan met z’n drieën, we zullen wel moeten.

Maar Oliver, ik schreef geloof ik eerder dat ik me gelukkig voelde, die avond. Dat was ook zo. Maar plotseling was ik ook zo alleen, die nacht nadat we wonnen. We hadden gefeest en hoewel jij en ik al een halfjaar geleden van elkaar wegvlogen, dacht ik meer aan je dan ooit. Ik zat daar maar in de nacht met die strakke laptop en ik zag je voor me, ik wilde dat je bij me was, hier; ik wilde dat je je handen op mijn buik zou komen leggen, zoals jij dat in onze zomer deed – op een zwijgende kijkende manier. En toen typte ik mijn eerste mail.

[…]

‘Je was een vonk. Je hebt me flink gelanceerd en ik schiet lekker op. Ik hoop dat dat ook geldt voor jou.

Maar vonken leven toch niet langer dan, hoe lang, een paar seconden?

Dit was het dus.

Dit was mijn laatste en alweer niet-verstuurde mail.

Misschien zie je me nog, in mei, Eurovision Song Contest, haha. Maar dan zit er een beeldbuis tussen en een andere wereld. Je zult me wel niet herkennen en toch zal ik het zijn.

Ik zwaai naar je.

Nu, hier, in mijn kamer.

Straks niet, dat mag vast niet van de choreograaf.

Wie weet denk ik tegen die tijd niet meer aan je, doe jij het ook maar niet aan mij.

Oliver, ik-

Nooit dacht ik dat-

Oliver,

wacht even. Ik stuur dit toch niet op, dus hier komt het. De laatste reden dat ik je niet meer kon, durfde, wilde bellen. De laatste reden dat je desondanks tot nu toe, tot februari, in mijn kop bleef: ik moet je over die eerste weken nóg iets vertellen.

Wat, wat?

Dit…

Na die septemberavond, de avond van mijn eerste bezoek aan een homocafé, de avond ook dat Vonda in de miezerregen over haar verleden vertelde, klommen we achter elkaar de trap op naar onze etage, zachtjes voor de hospita.

Bovengekomen keken Moritz en ik elkaar aan. We waren nog in de ban van wat ons verteld was. Ik dacht: als iemand haar allerzwakste geheim in je open handen legt, dan sluit je je vuisten eromheen en laat je nooit meer los. Ik weet zeker dat Moritz hetzelfde dacht.

Vonda deed haar jas uit en gaf ons een zoen. Ze ging naar bed. Vanuit de deuropening van haar kamer zei ze nog één keer: ‘Het is goed.’

Moritz en ik deden ook onze jassen uit, en we bleven staan. We waren in die paar weken dat hij bij ons woonde eigenlijk niet eens zoveel samen geweest, hij en ik, bedoel ik. Meestal zaten we met z’n drieën bij elkaar, en dan glimlachte hij als Vonda en ik discussieerden. Hij luisterde, hij knikte. En nu stonden we daar.

Ik zei: ‘Dan gaan we ook maar slapen.’

Hij zei: ‘Ja.’

Maar we deden het niet.

Of toch wel. Ik verplaatste één voet in de richting van de badkamer, maar ik kwam verkeerd uit. Ik wankelde en streek, om steun te zoeken, met mijn arm half langs Moritz’ rug. Moritz sloeg een hand uit om me vast te houden. Die hand kwam, echt, het ging te snel om opzettelijk te zijn, op mijn heup terecht. En we bevroren.

Ik liep niet door, Moritz haalde zijn hand niet weg. En was het magnetiek, het belang van de avond, alcohol, ik weet het niet, maar íéts deed ons vooroverbuigen tot we elkaar raakten. Tot onze lippen elkaar raakten.

Daarna ging ik met hem mee naar boven, zomaar, zonder spreken. Ik denk niet dat Vonda het gemerkt heeft, de stilte waarmee we uit onze kleren stapten en tegen elkaar kwamen te staan was plechtiger dan de stilte in welke kerk dan ook.

En toen ik geschrokken wakker werd ’s ochtends en naar Moritz’ naakte bovenlichaam keek, zijn rustige gezicht, het langzame golven van zijn strakke buik, toen pakte ik mijn broek, mijn trui, mijn boxer en ik sloop naar beneden terug.

Zo.

Nu weet je waarom al mijn vorige zinnen niet verstuurd en niet geschreven hadden hoeven worden. Ik begrijp mezelf niet, ik denk nog altijd aan jou, maar eerlijkheid moet wél, moet nu, hier, in deze allerlaatste mail.

Het is koud.

Dag Oliver.

Dit was het.