Queer boeken
   
Valentijn De Hingh Gekozen door:
Valentijn De Hingh
Terug naar alle fragmenten
Jongen-jongen Fictie E.M. Forster

Maurice


Warning: count(): Parameter must be an array or an object that implements Countable in /home/customer/www/queerboeken.nl/public_html/_wpqb/wp-content/themes/qb/single-fragmenten.php on line 81
Atlas Contact
ISBN 9789020422900

Inleiding Valentijn De Hingh

Download als pdf

“Hoe is het om te weten dat je je liefde voor een ander moet verbergen, omdat jij en je geliefde anders het risico lopen opgepakt te worden? Hoe is het om veroordeeld, verguisd of verstoten te worden omwille van gevoelens die van nature in je zitten, waarvan je tot in het diepste van je ziel voelt dat ze onderdeel zijn van wie je bent? Nu wij leven in een tijd en op een plek waar homoseksualiteit niet bij wet verboden is, en bovendien maatschappelijk steeds meer geaccepteerd wordt, is het soms moeilijk om ons voor te stellen hoe het geweest moet zijn om gay, lesbisch, biseksueel of transgender te zijn in een tijd dat homoseksuele seks nog strafbaar was.

Een roman die naar mijn idee deze spanning tussen persoonlijke verlangens en de onwettigheid van die verlangens op magnifieke wijze schetst, is Maurice van E.M. Forster. Het verhaal speelt zich af in Edwardiaans Engeland, aan het begin van de twintigste eeuw, en gaat over Maurice Hall, die tijdens zijn studie aan Cambridge een verhouding krijgt met zijn studievriend, Clive Durham. Aan hun heimelijke relatie komt echter abrupt een eind als Clive, ondanks zijn liefde voor Maurice, toch besluit te trouwen met een vrouw. Maurice probeert vervolgens met behulp van een hypnosespecialist zijn ‘afwijking van de geest’ te onderdrukken, maar wordt intussen opnieuw verliefd, ditmaal op Alec Scudder, een stalknecht van de Durhams.

Seks tussen mannen was in Engeland tot 1967 strafbaar. In eerste instantie kon je zelfs de doodstraf krijgen, later werden het gevangenisstraffen, dwangarbeid of chemische castratie. Forster, die zelf homoseksueel was, maar buiten de absolute privésfeer heel zijn leven diep in de kast zou blijven, schreef Maurice rond 1913. Hoewel hij het boek tijdens zijn leven meerdere malen herschreef, heeft hij het nooit aan een uitgever aangeboden, uit angst voor strafrechtelijke of sociale repercussies. Toen het manuscript na zijn dood gevonden werd, zat er zelfs een briefje bij waarop stond: ‘Punishable, but worth it?’ In het fragment dat ik heb gekozen speelt de angst om uit te komen voor je seksuele voorkeur eveneens een rol. Maurice en Clive zien elkaar weer voor het eerst na de paasvakantie. De beschrijving van hun eerste voorzichtige aanrakingen bevat mijns inziens een paar van de mooiste zinnen die in de geschiedenis van de roman het papier hebben geraakt. De spanning tussen de twee personages bereikt haar hoogtepunt als Clive Maurice vertelt dat hij van hem houdt. Maar Maurice durft zijn liefde voor hem in eerste instantie niet te beantwoorden; homoseksualiteit is ten slotte de ‘ergste misdaad op de lijst’.

Later in het boek vraagt Maurice aan zijn hypnotherapeut of deze denkt dat homoseksualiteit ooit gedecriminaliseerd zal worden. De dokter antwoordt dat hij het betwijfelt: ‘Engeland is er altijd afkerig van geweest de menselijke natuur te aanvaarden.’ Gelukkig heeft hij uiteindelijk ongelijk gekregen.”

Fragment

Durham ging op de grond zitten buiten zijn bereik. Het was laat in de middag. De geluiden van het mei-trimester, de geuren van het Cambridgejaar in bloei, dreven door het raam naar binnen en zeiden Maurice: ‘Je bent ons onwaardig.’ Hij wist dat hij voor drievierde dood was, een vreemde, een pummel in Athene. Hij had hier niets te zoeken; zo’n vriend ging hem niet aan. ‘Hé, Durham…’ Durham kwam dichter bij hem. Maurice strekte een hand uit en voelde het hoofd er zich tegen vlijen. Hij vergat wat hij wilde gaan zeggen. De geluiden en geuren fluisterden: ‘Jij bent vrij, wij zijn de jeugd.’ Hij streelde heel zacht het haar en liet zijn vingers er door glijden alsof hij de hersenen wilde liefkozen. ‘Hé, Durham, heb je je goed gevoeld?’ ‘En jij?’ ‘Nee.’ ‘Je schreef van wel.’ ‘Dat was niet waar.’ De waarheidsliefde in zijn eigen stem maakte hem beverig. ‘Het was een rotvakantie en al die tijd heb ik het niet geweten.’ Hij vroeg zich af voor hoe lang hij het zou weten. De mist zou opnieuw opdoemen, daarvan was hij zeker, en met een neerslachtige zucht trok hij Durhams hoofd tegen zijn knie alsof het een talisman voor lucide leven was. Het lag daar – en hij had een nieuwe innigheid verworven -, het aanhoudend gestreeld van slaap tot hals. Daarop trok hij beide handen terug, liet ze naast zich neervallen en bleef zuchtend zitten. ‘Hall.’ Maurice keek op. ‘Zit je ergens mee?’ Hij begon opnieuw te strelen en trok zich opnieuw terug. Het leek even zeker dat hij geen als dat hij wèl een vriend had. ‘Heeft het iets te maken met dat meisje?’ ‘Nee.’ ‘Je schreef dat je haar aardig vond.’ ‘Dat vond… vind ik niet.’ Diepere zuchten welden in hem op. Ze reutelden in zijn keel en gingen over in gekreun. Zijn hoofd viel naar achter, en hij vergat de druk van Durham op zijn knie, vergat dat Durham zijn duistere zielestrijd gadesloeg. Hij staarde naar het plafond met toegeknepen mond en ogen, niets anders begrijpend dan dat de mens is geschapen om pijn en eenzaamheid te voelen zonder enige hulp van de hemel. Durham rekte zich naar hem toe, streelde zijn haar. Zij omhelsden elkaar. Even later lagen zij borst tegen borst, hoofd tegen schouder, maar net toen hun wangen elkaar raakten, riep iemand van de binnenhof: ‘Hall’, en hij antwoordde: hij had altijd antwoord gegeven als mensen riepen. Beiden schrokken hevig, en Durham sprong naar de schoorsteenmantel, waar hij zijn hoofd op zijn arm legde. Belachelijke figuren kwamen met donderend lawaai de trap op. Zij wilden thee. Maurice wees er naar, werd daarna betrokken in hun gesprek en merkte het vertrek van zijn vriend nauwelijks op. Het was een normaal gesprek geweest, zei hij tegen zichzelf, maar te sentimenteel, en hij mat zich een opgeruimde, joviale houding aan voor hun eerstvolgende ontmoeting. Die vond al snel plaats. Hij stond op het punt met een half dozijn anderen na de aula naar de schouwburg te gaan, toen Durham hem riep. ‘Ik weet dat je in de vakantie Het Symposium hebt gelezen,’ zei hij. Zijn stem was laag. Maurice voelde zich onbehaaglijk. ‘Dan begrijp je me… zonder dat ik nog iets zeg…’ ‘Wat bedoel je?’ Durham kon niet wachten. Overal om hem heen stonden mensen, maar met ogen die intens blauw waren geworden, fluisterde hij: ‘Ik houd van je.’ Maurice voelde ergernis en ontzetting. Hij was tot in het diepst van zijn voorstedelijke ziel geschokt en riep uit: ‘Zwets niet!’ De woorden, de toon, ontsnapten hem voor hij ze kon herroepen. ‘Durham, jij en ik zijn beiden Engelsen. Verkondig geen onzin. Ik ben niet beledigd, omdat ik weet dat je het niet meent, maar dit is het enige onderwerp dat absoluut over de schreef gaat, dat weet je, het is de ergste misdaad op de lijst, en je moet er nooit weer over beginnen. Durham! Hoe haal je het in je hoofd…’ Maar zijn vriend was weggelopen, weggelopen zonder een woord, hollend over de binnenhof. De klap waarmee zijn deur dicht viel, kon door de geluiden van de lente heen worden gehoord.