Queer boeken
   
Rik van de Westelaken Gekozen door:
Rik van de Westelaken
Terug naar alle fragmenten
Jongen-jongen Fictie Edward van de Vendel

De dagen van de bluegrassliefde

Querido
ISBN 9789045117331

Inleiding Rik van de Westelaken

*Beste Queer Fragment 2019*

Download als pdf

“Pas toen ik als achttienjarige blaag ging studeren in Leiden, kwam ik erachter dat ik meer op jongens viel dan op meisjes. Daarvoor woonde ik in een dorp in Brabant. Homoseksualiteit bestond daar niet. ‘Homo’ en ‘mietje’ hoorde je alleen als scheldwoord, galmend door de gangen van onze school, gericht tegen onzekere brugpiepers met veel te grote boekentassen, die het waagden om ouderejaars voor de voeten te lopen.

Eén man in mijn omgeving was wel eerlijk over zijn geaardheid: mijn biologieleraar. Tijdens de lessen seksuele voorlichting vertelde hij dat hij homo was, dat jongens ook op jongens – en meisjes ook op meisjes – verliefd konden worden: feiten waar de klas maar weinig enthousiast kennis van nam. Deze man verdient met terugwerkende kracht een staande ovatie, want seksuele voorlichting geven aan een partij dwarse pubers, stuiterend van de hormonen maar desinteresse veinzend, zal geen feest geweest zijn.

Ondanks zijn lessen, drong het pas veel later tot me door dat ik ook homo was.
Ten eerste omdat de puberteit sowieso een verraderlijk verwarrende periode voor me was (waarbij ik heus weleens een jongen spannend vond – maar toch vooral nog voor de meisjes ging). Ten tweede omdat ik toen geen rolmodel had: ik had niets gemeenschappelijk met mijn biologieleraar – of met de enige andere homo’s die ik kende, van tv (Jos Brink, Albert Mol en André van Duin).

In Leiden veranderde dat: ik ontmoette jongens die slim, stoer en mannelijk waren. En eerlijk over hun geaardheid. Voor het eerst werd ik echt verliefd op een jongen en het voelde alsof het laatste puzzelstukje van mijn identiteit op zijn plek viel.

Misschien had ik het eerder geweten als ik toen al De dagen van de bluegrassliefde van Edward van de Vendel had gelezen. Daarin ontmoeten de Noorse Oliver en de Nederlandse Tycho elkaar als ze op weg zijn naar ‘Little World’, een vakantiekamp voor kinderen waar ze allebei als vrijwilliger groepsleider zullen zijn. Het klikt gelijk goed tussen de beide tieners; op het kamp delen ze zelfs een kamer. Hun band wordt nog hechter als er een vonk overslaat. Het fragment begint op de ochtend nadat Tycho en Oliver voor het eerst bij elkaar in bed zijn beland. Zoals Tycho zich voelt, zo voelde het voor mij ook, de allereerste keer dat ik verliefd was op een jongen…”

Fragment

Toen Tycho ’s ochtends wakker werd, zag hij een oor. Hij keek ernaar en zei tegen zichzelf: ik wist niet dat een oor zo mooi was. Hij stak zijn tong een stukje uit en likte aan de haartjes op de rand. Het oor verschoof, een schokje, nog een schok – en Oliver werd wakker. Tycho voelde dat zijn arm pijn deed. Oliver had er een nacht lang bovenop gelegen. Tycho wrikte zich voorzichtig los, maar daardoor draaide Oliver opzij – hij rolde oog in oog met Tycho en probeerde iets te zeggen, ochtend-
schor. Het lukte niet. Ze lachten allebei. Tycho dacht opeens dat van dichtbij niet goed te zien was of hij lachte of een grimas trok en daarom tuitte hij zijn lippen en kuste recht naar voren. Drie keer, vier keer.

‘Is dit nou wat ze bedoelden met vriendschap zonder grenzen?’ Oliver was nu verstaanbaar.
‘Ik hoop het wel,’ zei Tycho. Hij giechelde en streek een haar uit Olivers gezicht. ‘Ik hoop het ook,’ zei Oliver. ‘Hoe laat is het?’ Hij richtte zich een eindje op. Het laken gleed zijn borst af als het doek van een nog te onthullen beeld. Hij leunde over Tycho heen en greep naar het horloge dat hij gisteravond
naast het bed had laten vallen. Hij keek erop en schrok. ‘Nee! Ik zou met een paar kinderen gaan joggen!’ Hij trok het laken weg en schoof zijn benen uit het bed. Zijn blote bovenlichaam zwaaide over Tycho heen.

Tycho keek hoe Oliver zich aan begon te kleden. Hij had het kussen dat was vrijgekomen in zijn rug geklemd en zag de hijsbewegingen waar Oliver zijn onderbroek en sportbroek mee omhoogtrok. Hij zag hoe Oliver zijn blote voeten in zijn sneakers stak, hoe hij zijn knieën boog om zijn veters te kun-
nen strikken. Hij zag Oliver naar de kledingkast lopen, rommelen, een T-shirt vinden, het uitvouwen. Maar voordat Oliver zijn hoofd het T-shirt in kon steken, ging opeens de deur naar het lokaal een stukje open. Een van de kinderen stak zijn hoofd naar binnen en vroeg zachtjes: ‘Oliver, you come?’
‘Ja ja!’ riep Oliver. ‘Kun je niet kloppen?’ en hij duwde resoluut de deur weer dicht. Hij schoot zijn T-shirt aan en keek een beetje verontschuldigend naar Tycho. ‘Ze hoeven het niet te weten.’ Tycho knikte. Oliver zei: ‘Dan ga ik maar.’ Hij pakte de deurklink beet, maar aarzelde en draaide zich
weer om. Hij liep naar Tycho terug en boog zich naar beneden voor een vlugge kus. Zo hoort dat, dacht Tycho, en was toch verrast.

Oliver was weg. Hij had de deur achter zich dichtgetrokken. Tycho bleef nog liggen. Hij voelde hoe zijn lichaam soesde heel tevreden was het, en ontspannen, alsof het ergens aangekomen was waar het al heel lang wilde zijn. Maar zijn hersens, die zich nu al uren werkloos waanden, zomaar buitenspel, hadden ondertussen als tegenoffensief een overweging aangemaakt: wie mag het weten? Ze leverden meteen de argumenten voor en tegen: dit was zo privé, dit hoefde niemand in de hele Little World te weten, bovendien – hoe zou de hele Little World gaan reageren? Maar Donna dan? Donna zou het zien. Ze had het al verwacht. Ze had gelijk gekregen. En alle anderen? Hoe kun je verborgen houden dat je bent gegroeid, dat je completer bent geworden? Zijn huid, zijn houding en zijn handen, alles zou het hardop zeggen – voor wie zou luisteren. Hij moest zijn spiegelbeeld opnieuw bekijken, straks, hij moest zichzelf in de ogen zien, maar hij wist nu al dat ze het niet helemaal verborgen zouden kunnen houden. Iets wat leefde hield je niet geheim.

Ze zouden alleen moeten zijn. Tijdelijk alleen op de wereld. Hij stapte uit zijn bed. Van al dat denkwerk was zijn lichaam weer actief geworden, maar nu was het zijn hoofd dat besloot zich geen zorgen te maken. Hij zocht zijn uitgetrapte broek en hoorde hoe het in hemzelf begon te zingen. Een nieuw, ontspannen liedje: ‘Da da da so what?’ Hij neuriede het mee. So what tegen zijn sokken en so what tegen zijn slaapzak en so what tegen de hele ruimte. Hij roffelde op Olivers matras, zomaar, klom naar boven op het bed, spreidde zijn armen en probeerde er vanaf te vliegen, ook al was de vloer veel te dichtbij om ook maar eventjes te zweven. Bonk! ‘Da da da so what.’

Opeens begon hij een berichtje aan zijn ouders te bedenken, hij zou het vanmiddag versturen naar Southampton. Mam, pap, jullie raden nooit wat er gebeurd is. Daarna wist hij het niet meer. Ik ben gelukkig. (als ze dat maar weten, dacht hij, dat als eerste, dat vooral). Sorry als dit nogal stom klinkt, maar het is wel waar. Hoe verder? X, Tycho.

Oliver kwam binnen, uitgejogd en verhit. ‘Ontbijt!’ Tycho knikte en stond op. Hij gooide Oliver een handdoek toe. Die trok zijn T-shirt uit en zei: ‘Ik heb erover nagedacht. Laten we het maar geheimhouden.’ So what? dacht Tycho en hij zei: ‘Als dat is wat je wilt. Maar Donna zal het wel merken.’ Hij hief zijn hand naar Olivers gezicht en wreef een streepje zweet weg van zijn slaap.
‘Tja. Nou ja, dat is misschien ook wel oké,’ zei Oliver. Zijn lippen sloten zich niet na de laatste klank – de ‘é’ bleef hangen, lokte geluidloos. Tycho’s lippen zeiden ook geluidloos ‘é’, hij volgde zijn lippen – die Olivers lippen volgden. Na een tijdje maakte Oliver zich los. Hij trok zijn handen links en rechts van achter Tycho’s rug vandaan en legde ze op Tycho’s schouders – een razendsnelle transformatie van vriend terug naar beste vriend – en zei: ‘Ben je klaar voor het normale leven?’ ‘Nu kan ik alles!’ zei Tycho. Oliver zocht snel een ander shirt en Tycho bracht de kussens op de bedden weer in orde.
Daarna wandelden ze met z’n tweeën weg, de voorraadkast, het slaaplokaal, de gang, de aula door, de keuken in.